Bijlage 1:

De nieuwsbrief van onze Stichting is weer verschenen. U kunt hem via onderstaande link lezen.

NB 2020 nov nr 79 A5 (1)

De stichting Monument en Landschap in de Gemeente Berg en Dal heeft ten doel het bevorderen van het behoud en de versterking van cultuurhistorische, landschappelijke en karakteristieke waarden in het gebied van de Gemeente Berg en Dal en de aangrenzende gemeentes.

Om dit doel te bereiken zijn er verschillende soorten activiteiten : het mee-organiseren van de jaarlijkse open monumentendag, de toekenning en uitreiking van de erfgoedprijs, het aanbieden van wandelroutes langs monumentale plaatsen, en daarnaast het bewaken van de monumentale en landschappelijke waarden bij nieuwbouw of verbouw, of bij verandering van het gebruik van terreinen in een kenmerkende landelijke omgeving.

Naast onze website met actuele onderwerpen, geeft de Stichting ook viermaal per jaar een digitale Nieuwsbrief uit.

In het bestuur van de Stichting Monument en Landschap zijn enkele vacatures. Wij zoeken naar inwoners van de gemeente Berg en Dal, met enige voorkeur uit de kernen Millingen, Ooij en Groesbeek. Kennis van de cultuurhistorie en visie daarop zijn gewenst. Daarnaast zoeken we iemand met een juridische achtergrond. Het bestuur vergadert ca 8 maal per jaar; tussentijds is er intensief overleg per mail.

U kunt uw belangstelling melden aan: secretaris@monumentenlandschap.nl

 

Stichting Monument en Landschap reageert op sturing gemeente Berg en Dal richting Lange Paol:

‘Enig juiste plek voor uitkijktoren is De Sterrenberg’

Niet-nagekomen beloften, moeizaam overleg, tegenwerking, miscommunicatie en argwaan. Wat betreft herbouw van de uitkijktoren op De Sterrenberg heeft Stichting Monument en Landschap Berg en Dal (M&L) het allemaal voorbij zien komen. De maat is vol, de stichting M&L gaat terug naar het beginpunt : een toren op De Sterrenberg, een toren in en voor Beek. Ze roept de gemeente Berg en Dal en eigenaar Terwindt op hetzelfde te doen.

De Sterrenberg in Beek is sinds 1909 een toeristische trekpleister met thee-/pannenkoekenhuis met speeltuin van maatschappij Mooi Nederland, met erheen leidende wandelpaden die in 1852 al op kaarten voorkomen. In 1938 wordt bij de horeca-uitspanning een uitkijktoren van 17 meter hoogte neergezet. De hout- en staalconstructie trekt veel mensen naar de berg en is een geliefd foto-object. De tram van Nijmegen naar Berg en Dal stopt hier voordat hij over het viaduct bij de Van Randwijckweg verder gaat naar eindpunt hotel Berg en Dal. Maar dan komt de klad in deze uitspanning.

Overeenkomsten

Na aankoop van De Sterrenberg door de heer Terwindt is de stichting M&L vanaf het begin van diens bouwplannen waakzaam, opdat Beek niet zou worden beroofd van een toeristisch pareltje. Die waakzaamheid is niet overbodig want meteen na zijn aankoop zet de heer Terwindt in februari 2001 al hekwerk rond zijn terrein waardoor openbare wandelpaden worden afgesneden. De stichting M&L reageert binnen een week en stuurt de gemeente een brief om te handhaven ‘zodat dit ontsierend bouwwerk zo spoedig mogelijk wordt verwijderd’. Ook de heer Terwindt krijgt een brief waarin de stichting aankondigt ‘alles in het werk te stellen om de geldende bestemming voor het terrein te doen behouden, het hekwerk te laten verdwijnen en de wandelpaden weer open te stellen’. De toon is gezet.

Maar de eigenaar is van goede wil, getuige zijn belofte op 25 november 2002 aan de adviescommissie Wandelroute Sterrenberg: “Ik ben op voorhand bereid om voldoende budget beschikbaar te stellen voor het verplaatsen en restaureren van de uitkijktoren.”

Op 10 december 2003 sluit de stichting M&L met de heer Terwindt een overeenkomst waarin is opgenomen dat de stichting akkoord gaat met zijn bouwplannen, op voorwaarde: dat de heer Terwindt zich verbindt aan het behoud en in stand houden van de paden op De Sterrenberg, dat hij uitzichtpunten herstelt en dat hij zorgdraagt voor heroprichting van de toren. Verder ondersteunt hij de intentie van stichting M&L om de toren op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst te krijgen. In deze overeenkomst staat klip en klaar wat de heer Terwindt te doen staat.

De toenmalige gemeente Ubbergen heeft op 7 maart 2006 een soortgelijke overeenkomst met de eigenaar gesloten; als de heer Terwindt de afspraken niet nakomt hangt hem een boete van 500.000 euro boven het hoofd. Omdat de toren op Terwindts terrein komt te staan, zou deze 12 dagen per jaar voor publiek toegankelijk zijn. Dat zijn de uitgangspunten voor de nieuwe situatie op De Sterrenberg: drie partijen die hetzelfde nastreven.

Toren verdwenen

Om de bouwplannen van de heer Terwindt mogelijk te maken wordt de toren in juli 2007 gedemonteerd en in opslag gelegd bij Thoonen Constructiebouw BV. Maar dit bedrijf gaat failliet, met verregaande gevolgen voor de toren.

Stichting M&L slaat op 20 augustus 2013 bij de gemeente alarm dat de toren is vernietigd ondanks al haar waarschuwingen aan de heer Terwindt om er goed op te passen. Waar gemeente en stichting M&L hun toezeggingen steeds nakomen, ‘blijft Terwindt stelselmatig in gebreke’. De toren staat er niet, de uitzichtpunten zijn niet gerealiseerd en de verlegde wandelpaden worden niet tot matig onderhouden. “De conclusie is daarom gerechtvaardigd dat de heer Terwindt de buit binnen heeft en dat hij kennelijk verder lak heeft aan voorzieningen voor de gemeenschap van Ubbergen.” Stichting M&L vindt de gang van zaken ‘volstrekt onaanvaardbaar’ en roept de heer Terwindt tot de orde.

Volgens het Bossche advocatenkantoor Banning heeft zijn cliënt Terwindt de curator van Thoonen Constructiebouw BV nog zó op het hart gedrukt goed voor de toren te zorgen, maar deze curator is – volgens de advocaat – slordig geweest. De toren gaat uiteindelijk in 2013 naar BVA Auctions en is daar geveild, krijgt stichting M&L als reactie te horen.

Tegenwind

Ook in 2013 vraagt het bestuur van de Stichting Thornsche Molen de heer Terwindt of hij de herbouw van de molen financieel wil ondersteunen; als tegenprestatie zal de Stichting Thornsche molen proberen de op de heer Terwindt rustende verplichting de toren te herbouwen ongedaan gemaakt te krijgen bij de gemeente. ‘Een cultuurhistorische molen heeft een enorme meerwaarde boven een toren die maar 12 keer per jaar open mag’, luidt de motivatie voor deze ondermijnende actie. Als protest roept stichting M&L de Ubbergse gemeenteraad en burgemeester en wethouders op ‘zich niet te lenen voor dit soort onbetamelijke praktijken’. De heer Terwindt luistert naar de roep uit de polder en komt met tonnen over de brug. Gevolg: de molen kan worden herbouwd, maar zonder toezeggingen ten koste van de Sterrenbergtoren.

Samen apart

De jaren vliegen voorbij, maar tot een toren komt het steeds maar niet. Er komen een nieuwe gemeente, nieuwe gemeentebesturen, nieuwe wethouders en nieuwe bestuursleden bij de stichting. Wat niet verandert is dat gemeente en stichting samen blijven optrekken om de toren op De Sterrenberg gerealiseerd te krijgen. Zelfs een gang naar de rechter zeggen ze niet te schuwen. Samen spreken ze dezelfde taal in de richting van de heer Terwindt. Tot eind 2017. In oktober ligt de vraag op tafel of de heer Terwindt iets mag toevoegen aan de overeenkomsten van 2003 en 2006: of hij de toren mag bouwen buiten zijn terrein.

Keerpunt 2018

Na de verkiezingen in maart 2018 neemt de nieuw aangetreden wethouder Visser het hoofdpijndossier De Sterrenbergtoren over. Zij betracht voortvarendheid en wil, zoals ze in januari 2018 in de krant zegt, ‘de stem van de polder laten klinken’. Gaandeweg de gesprekken met stichting M&L blijkt hoezeer zij die belofte wil waarmaken. Het blijkt een keerpunt voor project Sterrenbergtoren, amper een half jaar nadat de heer Terwindt zei af te willen van de torenlocatie bij hem voor de deur.

Vanaf dan lijkt de gemeente de toren alleen nog ergens anders te willen, en in samenspraak met de heer Terwindt -met buitensluiting van stichting M&L- een eigen koers te varen. In het begin van het jaar meldt de gemeente tijdens een overleg allerlei locaties te hebben bekeken en al twee mogelijk geschikte plekken te hebben gevonden: bij De Lange Paol in de Millingerwaard en bij De Vossenberg, allebei gebieden die worden beheerd door Staatsbosbeheer.

Vanaf dat moment raakt de zaak Sterrenbergtoren in een ‘stroomversnelling’, in die zin dat de stichting onder toenemende druk wordt gezet om af te zien van De Sterrenberg en om genoegen te nemen met een andere plek. Staatsbosbeheer keurt De Vossenberg als locatie af, de Lange Paol lijkt steeds meer het enige alternatief te worden. Om toch énigszins het stuur in handen te houden is stichting M&L, mede op verzoek van de gemeente Berg en Dal, bereid mee te denken over alternatieven en daar ook tijd en onderzoek in te steken.

Eind 2018 komt stichting M&L met rapport ‘Zicht op Landschap’ waarmee locaties in zowel Het Hoog als Het Laag onderzocht zijn op geschiktheid om een toren te plaatsen. Staatsbosbeheer keurt sommige plekken af, de gemeente is het met enkele andere niet eens. De gemeente vraagt tijdens een overleg met stichting M&L om ‘het aantal opties terug te brengen tot 1 of 2 zeer kansrijke locaties en die zelf op haalbaarheid te onderzoeken’. De ‘overblijvers’ zijn uiteindelijk locaties bij de Lange Paol en het Wylerbergmeer.

Fuik?

Het lijkt een fuik geweest te zijn, want door aan de zoektocht mee te willen werken is kennelijk bij gemeente en de heer Terwindt de schijn gewekt dat stichting M&L afziet van De Sterrenberg en instemt met Het Laag. Erger nog: dat zij instemt met de Lange Paol, de locatie die het verst van Beek af ligt en voor de gemeente zelf al sinds het begin van 2018 de grote favoriet is.

Eenmaal, ja eenmaal in al die jaren is stichting M&L met het moede hoofd in de schoot overstag gegaan: op 2 november 2018 schrijft ze aan de gemeente dat ze ‘zou willen afzien van de locatie omgeving Sterrenberg en zou willen kiezen voor een opstelling in Het Laag’. Waarom deze betreurenswaardige uitglijder? Om de volgende redenen: hoge bomen op de berg verminderen het uitzicht, 12 dagen per jaar toegankelijkheid is niet veel, bouw op deze plek is nog steeds onzeker, een toren elders kan er sneller staan, het lange dossier dient eindelijk te worden afgesloten.

Koren op de molen

In ‘Zicht op Landschap’ zijn veel uren gestoken die wetenswaardige informatie hebben opgeleverd. Niettemin is het alleen voor de gemeente en de heer Terwindt een bruikbaar en nuttig rapport gebleken. Koren op de molen zogezegd. Zij hebben er namelijk ten onrechte het bewijs in gezien dat de genoemde locaties ten volle gedragen worden door stichting M&L die daarmee dus de Sterrenbergtoren laat vallen. Met ‘Zicht op Landschap’ heeft stichting M&L zich kwetsbaar opgesteld.

Twee reacties in 2018 van de heer Terwindt en wethouder Visser vallen op.

De heer Terwindt laat tijdens een overleg met de gemeente  weten bereid te zijn mee te werken aan herbouw van “zijn” toren in Het Laag, bij de Lange Paol. ‘De locatie nabij het Wylerbergmeer vindt hij minder geschikt’, meldt de gemeente. Voor hem lijkt een toren op zo groot mogelijke afstand van zijn huis en ver weg van Beek de enige uitweg uit het labyrint. Op 12 maart 2019 zegt de heer Terwindt tegen de gemeente bereid te zijn de kosten van de quick scan te betalen voor een onderzoek dat moet uitwijzen of een toren bij de Lange Paol -hij zegt dat plan te kennen- mogelijk is. Eerder meldde hij al zo’n 70.000 tot 100.000 euro te willen bijdragen in de (her)bouwkosten op die plek.

Wethouder Visser is verbaasd dat ‘Zicht op Landschap’ zelfs locaties in Het Laag noemt terwijl stichting M&L zich altijd alleen voor Het Hoog heeft uitgesproken. De wethouder doet het voorkomen alsof deze studie van stichting M&L gelijkstaat met een besluit. Even pijnlijk is het dat de wethouder stichting M&L er openlijk van beschuldigt het idee van de Lange Paol gepikt te hebben van Staatsbosbeheer. ‘De gemeente heeft zich aan deze onjuiste voorstelling van zaken gestoord.’ Ze meldt deze verbazing onder meer aan Staatsbosbeheer en het Berg en Dalse college en kondigt aan dat ze stichting M&L daarop zal aanspreken.

De wethouder maakt twee fouten: ten eerste is de Lange Paol door stichting M&L in haar brede zoektocht alleen genoemd als mogelijke locatie voor een toren (kennelijk is dat een goede locatie want anderen bevelen deze ook aan) en heeft de stichting nergens de intentie gehad wiens idee dan ook te stelen laat staan met de veren daarvan te gaan pronken. Ten tweede stelt de wethouder steevast in het openbaar dat Staatsbosbeheer de initiatiefnemer is voor de uitkijktoren (Skybox genoemd) bij de Lange Paol. Het is evenwel geen project van Staatsbosbeheer, maar van bewoners uit de omgeving. Stichting M&L vindt de openbare terechtwijzing van de wethouder niet alleen onterecht maar ook ongepast, want gebaseerd op onjuiste feiten.

Redoutes

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog stonden er uitkijktorens in de omgeving van de Waal. Geschat wordt dat er vanaf Gorinchem tot fort Schenkenschanz (Dld) 54 van zulke toren, redoutes genoemd, stonden die samen de verdedigingslinie van Prins Maurits vormden. Stichting Onze Waal heeft plannen om (een deel van) deze torens weer op te richten, onder meer in de Millingerwaard in de buurt van de rivier. Dat meldt de wethouder op 5 november 2018 tijdens een overleg met Staatsbosbeheer. Een maand daarna beslist het college van Berg en Dal dat deze plannen niet worden gekoppeld aan herbouw van de ‘Terwindt-toren’, zoals deze intussen wordt genoemd.

Stichting M&L vindt dat de gemeente consequent moet zijn: de bouw van een toren bij de Lange Paol heeft net zo min als de redoutes van doen met herbouw van de Sterrenbergtoren. Bij de Lange Paol gaat het om een wens van omwonenden, die er echter het geld niet voor hebben. Ze kloppen bij de heer Terwindt aan, die hen welgevallig is en bereid is er een ton in te steken. Dat is prima, maar kan hem niet ontslaan van de verplichting om de Sterrenbergtoren te herbouwen. De gemeente dient daarom ook deze Lange Paol-toren niet te koppelen aan de Sterrenbergtoren.

Toezegging raad

Veel wegen en zijwegen zijn er sinds 2007 bewandeld om de toren op zijn oorspronkelijke plek te krijgen. Het heeft geleid tot pseudo-oplossingen, tot ongewenste afleiding van de zaak. De stichting trekt de handen af van elke medewerking aan een andere plaats dan De Sterrenberg en houdt gemeente en de heer Terwindt aan de gemaakte overeenkomsten. Het is kortweg zoals de motie van de raadsfractie Voor Berg en Dal van 12 december 2019 luidt: als er voor de toren geen alternatieve plekken gevonden worden op de stuwwal in Beek, gelden de gemaakte afspraken. De burgemeester: “De toezegging is gedaan dat er geen procedures aflopen of onomkeerbare besluiten worden genomen”.

Bij Omroep Gelderland spreekt de wethouder in januari 2020 nog uit dat zij denkt dat de toren terugkomt op de Sterrenberg. Enkele maanden later -op 4 maart 2020- wordt stichting M&L uitgenodigd door wethouder Visser waarin een (niet-openbaar) besluit wordt toegelicht en de stichting voor een voldongen feit wordt geplaatst.

Tijdens dit overleg geeft de wethouder namelijk aan ‘dat de voormalige gemeente Ubbergen in 2015 de locatie (voor de Sterrenbergtoren) al had opgegeven en voor een geldelijke compensatie (van de heer Terwindt) wilde gaan’. De opstelling van Ubbergen wordt gedeeld door opvolger Berg en Dal, blijkt in hetzelfde gesprek van maart. “Omdat de gemeente Ubbergen en later de gemeente Berg en Dal de locatie niet meer wilde ontwikkelen, is er in overleg met stichting M&L vanaf 2016 naar alternatieven op de stuwwal gezocht.” Stichting M&L is onaangenaam verrast door dit ‘nieuws’ en wil anno 2020 het besluit boven tafel hebben wanneer en waarom de beide gemeenten de Sterrenbergtoren allang als locatie geschrapt hebben. En waarom dat aan niemand is bekendgemaakt. Temeer omdat de gemeente aan de provincie nog moet verantwoorden waarom ‘realisatie op de stuwwal een onmogelijkheid is’, zoals door de gemeente is geantwoord op schriftelijke raadsvragen.

Toekomst

Om herbouw van de toren op De Sterrenberg mogelijk te maken, dient de gemeente volgens de Raad van State (uitspraak 2014) alleen nog maar archeologisch onderzoek te doen. Een dergelijk onderzoek is namelijk nodig omdat er voor de fundering van de toren vier stalen buizen van 8 meter lengte de grond in worden gedreven. Wanneer uit onderzoek blijkt dat er archeologisch niets van waarde in de bodem zit, staat niets de herbouw op die plek meer in de weg. Dezelfde rechter oordeelde in 2008 al dat de privacy van omwonenden niet wordt geschaad wanneer er een toren komt staan.

Bestemmingsplan ‘Stuwwal en beschermd dorpsgezicht Ubbergen’ is op 27 juni 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de toenmalige gemeente Ubbergen en is onherroepelijk. De locatie van de Sterrenbergtoren ligt in dit gebied. Zelfs het plekje waar de toren kan komen is specifiek op kaart aangeduid, net als het pad dat er vanaf de Oude Bosweg heenleidt.

Over de uitkijktoren is in het bestemmingsplan opgenomen dat de gronden primair bestemd zijn voor de ontwikkeling en het behoud van een openbaar toegankelijke uitkijktoren. Over het toegangspad staat vermeld dat de gronden primair bestemd zijn voor het behoud van de aanwezige openbaar toegankelijke wandelpaden. Volgens de kadastrale kaart liggen het toegangspad en de torenlocatie op gronden van de heer Terwindt die niet-openbaar zijn. Dat is in strijd met het bestemmingsplan. Stichting M&L overweegt dan ook bij de gemeente Berg en Dal een handhavingsverzoek in te dienen.

Foto: Henk Baron

Donderdag 17 september verzorgt Anneke Nolet een lezing naar aanleiding van haar boek “Vrouwen en verzet in het Rijk van Nijmegen 1940-1945 in antiquariaat Supplement te Beek Ubbergen. Bij dezen nodigen wij u hiervoor van harte uit.

Na de oorlog is over verzetsmannen het nodige geschreven, maar over verzetsvrouwen nauwelijks – op enkele heldhaftige vrouwen na aan wie een biografie is gewijd. Deden vrouwen niet aan verzet of waren ze onzichtbaar? Werd hun werk niet op waarde geschat of…? Vrouwen en verzet. In het Rijk van Nijmegen 1940-1945 voorziet in deze lacune. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen in Nijmegen en omgeving wel degelijk van meet af aan betrokken waren bij verzetsactiviteiten, dat ze zich gedurende de oorlog inspanden voor bijna alle soorten verzetswerk en zelfs deel uitmaakten van de plaatselijke verzetstop. Uiteengezet wordt waarom deze structurele bijdrage van vrouwen aan het verzet zo onbekend is. Zeven biografieën over verzetsvrouwen uit Nijmegen en omgeving vormen de opmaat voor de beschrijving van ruim 125 bij het Nijmeegse verzet betrokken vrouwen. 75 jaar na de bevrijding krijgen ze erkenning. Het werd tijd.

Anneke Nolet zal haar lezing tweemaal houden, eenmaal om 19.30 uur en nog een keer om 21.00 uur. Om een en ander veilig te kunnen organiseren vragen we u zich aan te melden voor de lezing. Dat kan via email info@supplementboek.nl of via de winkel.

plaats:             antiquariaat Supplement, Van Randwijckweg 2 te Beek Ubbergen

datum:             donderdag 17 september

tijd:                  19.30 en 21.00 uur

info:                 www.supplementboek.nl en/of info@supplementboek.nl

 

Ineke Huilmand-Jansen uit Beek kreeg vrijdag 3 juli als Lid in de Orde van Oranje Nassau de koninklijke versierselen opgespeld door haar dochter. Sinds 24 april wist ze al dat het de Koning behaagd had haar te onderscheiden, maar de coronacrisis was het nog niet tot uitreiking van het lintje gekomen.

Huilmand-Jansen is sinds 1971 vrijwilliger bij de EHBO-vereniging in Beek. Voor deze vereniging is ze niet alleen EHBO’er, maar ook secretaris, collectant en hulp bij de pleisteractie van de kerk. “Zelfs heeft u bij uw woning een EHBO-post, en dat is best uitzonderlijk vandaag de dag”, memoreerde burgemeester Mark Slinkman van de gemeente Berg en Dal.

Daarnaast was Huilmand ook 20 jaar lid van het kerkbestuur in Beek. Ze was ook lector en collectant. Ze heeft zich bijzonder sterk gemaakt voor de restauratie van het Lindsenorgel. Ze was de voorzitter van de stichting Red de monumentale Sint-Bartholomaeuskerk. “Eind 2015 was de kerk nog niet aan de eredienst onttrokken”, vervolgde de burgemeester. “Helaas is dat nu anders, maar daar hebben we het nu niet over. Maar we denken er allebei hetzelfde over. Je was onmisbaar als terriër in het kerkbestuur.”

Huilmand was verder bestuurslid en coördinator bewegen bij de reumavereniging. Ook is ze sinds 2013 vrijwilligster bij het Repair Café Beek. Memorabel is ook dat zij jarenlang optrad als begeleider van een echtpaar dat als bootvluchteling uit Vietnam naar Nederland kwam. Voor Stichting Monument en Landschap bleek ze van veel waarde tijdens de organisatie van Open Monumentendag in De Refter, toen ze desgevraagd het oude uniform van Notre Dame des Anges passend had gemaakt.

Behalve Ineke Huilmand kregen deze vrijdag in de tuin van hotel-restaurant De Wolfsberg nog vijf personen het lintje dat hoorde bij de benoeming Lid in de Orde van Oranje Nassau. Het waren Anke de Coole-Feenstra uit Groesbeek, Nico Berenbroek uit Groesbeek, Henk Derksen uit Berg en Dal, Bart Lelie uit Millingen aan de Rijn, en pater Willem Spann uit Tilburg. De burgemeester liet -om voldoende afstand te kunnen houden- het opspelden van de lintjes steeds over aan familieleden van de gedecoreerden.

 

Tekst en foto’s: Henk Verhagen.

Duizend stappen in Beek zijn ze van elkaar verwijderd, de Bleekster en de Wasvrouw -liefkozender: Het Wasvrouwtje. Vereeuwigd in brons verbeelden de beelden de tijd dat in het dorp veel bedrijven hun brood verdienden met het wassen van kleding en andere stoffen. Vader van beide objecten is Jan Schoenmakers (1923), kunstenaar uit Beek.

Waar de polder bij Beek op tijden te maken had en heeft met het wassende water van de Waal, heeft het hogerop gelegen dorp zelf van doen met het stromende water dat zijn oorsprong vindt in de stuwwal. De bewoners en bedrijven hebben in de loop der tijd altijd gebruikgemaakt van deze kracht van het water. En nog, met het project Water Werkt.

Tien bronnen storten hun water over de omgeving uit, beschrijft F. Hoogeveen in zijn rapportage ‘Beekherstel Beek Ubbergen‘ in 2010. Het zijn het Heiligbronnetje, de Beekstroom, de Hondsbeek, de Oorsprong, Kalorama, de Elzenbeek, de Wasserij, de Elandsbeek, Wijlerberg-kwelmuur en de Filosofenbeek. Grootleveranciers van water zijn met name de Filosofenbeek met 11 kubieke meter per uur, en koploper de Elzenbeek die met bijna 22 kuub per uur in 113 uur -binnen vijf dagen- een twee meter diep Olympisch wedstrijdbad van 50 bij 25 meter compleet kan vullen.

Geen wonder dat wasserijen zich dankzij het heldere bronwater in vroeger jaren prima thuis voelden in Beek, met name aan de Waterstraat. Veel mensen hadden er een inkomen aan. Het wasgoed kwam voornamelijk uit Nijmegen. Rond de Middeleeuwen brachten welvarende burgers hun wasgoed namelijk naar washuizen. Beek is van de 19de tot ver in de 20ste eeuw een dorp van wasserijen geweest voor de rijke burgerij van Nijmegen. Hiervan getuigen nog de witte wasboerderijtjes en enkele spoelputten.

Veel vrouwen wasten, weet Museum Vekemans in Boxtel dat in wassen en strijken is gespecialiseerd, één keer per maand drie dagen achter elkaar. “Dit zware werk gebeurde allemaal met de hand.” Het was dan ook een van de meest arbeidsintensieve huishoudelijke taken, dat wassen. Wasvrouwen wasten linnengoed met zeep aan de rand van een beek of rivier, of in een fontein of wasplaats. Ze wreven het doek op stenen of houten planken en voegden zo nodig zand toe om vlekken en aangekoekt vuil te verwijderen. Daarna zouden ze het draaien, voordat ze er met een houten klopper op sloegen, om zoveel mogelijk water te verwijderen.

Maandag wasdag, ode aan de wasvrouw

Zij stopt de vuile week in ‘t sop

schrobt de hemden zonder mouwen

spoelt de streken van de dagen

met groene zeep, rode knokkels

wringt ze leed uit kussenslopen

zakdoeken huilen op haar schouder

liefs laat ze van lakens bleken

 

De dagen hangen aan hun eindjes

gisteren wappert aan knijpers in de wind

dapper wast de wasvrouw alles wat was

al weet ze: morgen weer van voren af aan

 

Wat later op haar wasboord belandt

ziet ze dan wel, duwt nog een etmaal door

de mangel, ook die plooit zich naar haar hand

ze strijkt de kreukels glad, legt de dagen

op een schone stapel in de kast

 

(Gedicht van Matje Meijers uit Boxtel)

De VVV Beek-Ubbergen die in 1982 zeventig jaar bestond, heeft in 1984 een bijzonder cadeau aangeboden aan de Beekse gemeenschap: Het Wasvrouwtje aan de Rijksstraatweg, pal tegenover het vroegere gemeentehuis. Ze zit op haar knieën aan het water, en wast. Het bronzen beeld is ontworpen door de uit Beek afkomstige Jan Schoenmakers. Hij was het derde kind van onderwijzersechtpaar Anton Schoenmakers en Henrica Gaikhorst.

Jan was artistiek begaafd en heeft dat altijd laten zien door eigen werk als schilder en beeldhouwer. Aan de Rijksstraatweg had hij een atelier; later huurde hij een deel van een oude villa op de Hanenberg. Hij maakte muurschilderingen voor de plaatselijke horecabedrijven, maar ook van scholen en bedrijven in de omgeving kreeg hij opdrachten. Vaak werkte hij voor zijn plastieken met betonijzer. Het meeste werk bestond echter uit schilderijen van landschappen uit de streek, die werden afgenomen door kunsthandel Teunissen-Donders in Nijmegen.

Het Wasvrouwtje zit met het gezicht naar de straat, het wasgoed in haar hand. De vijver waarin ze zich spiegelt en de was doet, wordt gevuld met water van bron De Oorsprong dat uit de stuwwal is afgeleid en door een groen uitgeslagen houten waterrad wordt verplaatst. Het ontwerp van dit watermolenrad is ontleend aan een pentekening van rond 1820, gemaakt door Daniël Kerkhoff. Peter Arts is de maker van het huidige waterrad dat onlosmakelijk is verbonden met de bezigheden van Het Wasvrouwtje.

De watermolen zelf werd gebouwd in 1669 om koren te malen maar stond er rond 1900 al niet meer. In het molenaarshuis werd later logement Westerbeek ingericht. Halverwege de negentiende eeuw is op deze plek hotel De Oorsprong verrezen. Daar konden gasten terecht tot 1967, toen is dit markante gebouw afgebroken. Het romantische beeld dat nu in het Beekse parkje te zien is, maskeert nogal de zware inspanningen die wasvrouwen zich destijds moesten getroosten tegen weinig loon.

Het duurde tot 1999 voordat De Wasvrouw ‘gezelschap’ kreeg van een collega: De Bleekster die 350 meter verderop is neergezet. Ook dit beeld is ontworpen en gemaakt door Jan Schoenmakers; het staat op de hoek van de Nieuwe Holleweg en de Rijksstraatweg, tegenover hotel-café-restaurant ’t Spijker. Deze bronzen vrouw heeft een volle wasmand in de hand en is onderweg naar de bleekvelden.

Vroeger hadden mensen namelijk geen wasmiddel dat ‘witter dan wit’ waste. Daardoor verdwenen niet alle vlekken met alleen water en zeep. Daarom bleekten de mensen hun wasgoed. Al voor de Middeleeuwen bestonden er speciale blekerijen voor ‘natuurbleek’. Wasgoed werd op grasvelden rond de blekerij uitgespreid. Arbeiders hielden het wasgoed vochtig.

Het wasgoed bleekte automatisch door inwerking van de zuurstof die vrijkomt uit de ozon in de lucht tussen het wasgoed en het gras. Door de overmaat aan zuurstof verbrandde het restvuil dat nog aanwezig was in het wasgoed. Vanaf 1850 gebruikten mensen blauwsel, beter bekend als het ‘zakje blauw’. Door het blauwsel lijkt witte kleding witter. Het is namelijk optisch wit dat reflecteert met het daglicht. Tegenwoordig zit bleekmiddel en optisch wit in het waspoeder verwerkt.

Het water van de spuitende fontein achter De Bleekster komt uit de Elsbeek. Deze beek zorgde samen met de Oorsprong voor de aandrijving van de al eerder genoemde watermolen en kwam samen in de Waterstraat, waar verschillende wasserijen gevestigd waren.

Tekst en foto’s: Henk Verhagen

Zeven projecten in Berg en Dal, ingediend door deelnemers aan het Erfgoedberaad, kunnen een gemeentelijke subsidie van 18.050 euro tegemoetzien. Dat hebben burgemeester en wethouders van Berg en Dal besloten. In tegenstelling tot vorige jaren heeft Stichting Monument en Landschap geen nieuw project aangemeld en houdt de handen vrij voor lopende projecten.

Sinds 2015 beschikt de gemeente structureel over een potje van 25.000 euro waarmee ze ontwikkelingen op het gebied van erfgoed kan ondersteunen.

Het grootste deel van de koek krijgt Werkgroep Heemkunde Heilig Landstichting: 5000 euro. Dat is ongeveer een derde van wat ze had gevraagd. De werkgroep gebruikt dit geld voor het inventariseren van de cultuurhistorische waarden in het (bos-)gebied ten westen van Groesbeek.

Verder krijgt de werkgroep een bedrag van 3500 euro voor een boek over en herdenkingspaneel voor de oorlogsslachtoffers die op de begraafplaatsen van de Heilig Landstichting liggen.

De Vereniging Behoud Dorpsgezichten ontvangt de gevraagde 3600 euro voor een informatiepaneel over de Tweede Wereldoorlog in Breedeweg. Het gaat om een uitbreiding van de ‘Route langs Historische Panelen’. De vereniging vraagt en krijgt ook 1000 euro om een restauratieplan op te stellen voor de historische blaasbalg uit Smederij Kerkhoff in Breedeweg.

Het boek ‘Het ziet hier zwart van de witte lakens, oorlogsdagboeken uit Kekerdom’ is met 2950 euro gehonoreerd. Het project van Stichting Vitaal Kekerdom sluit volgens het college ‘goed aan bij de herdenkingsactiviteiten rond de Tweede Wereldoorlog’. De totale kosten bedragen 8200 euro, waarvan een deel uit de boekopbrengst wordt gehaald.

Twee andere projecten zijn ieder bedeeld met 1000 euro. Stichting Millings Jaarboek krijgt het geld voor het digitaliseren en vertonen van de oorlogsfilm ‘Bastogne’, die gaat over het Ardennenoffensief. Verder ontvangt Heemkundekring Groesbeek 1000 euro voor vernieuwing van haar website. Ze had ook subsidie gevraagd voor apparatuur die daarvoor nodig is, maar zoiets valt buiten de regeling en is daarom niet gehonoreerd.

Met de Romeinse altaarsteen in Millingen aan de Rijn heeft een toegewijde moeder haar dochter Rufia Materna de laatste eer willen bewijzen. Dat deze Rufia een priesteres of godin was zoals altijd is aangenomen aan de hand van de Latijnse inscriptie, kan geen stand houden. Dat althans is de conclusie van Emily Hemelrijk, hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

De oorspronkelijke altaarsteen die in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden te zien is, dateert vermoedelijk ergens uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling. Niet zeker is of de steen aanvankelijk in Millingen gemaakt is, of in de buurt ervan. Wel bekend is dat de grote steen in de zeventiende eeuw is gevonden en op een gegeven moment is ingemetseld in de Antonius van Paduakerk. Daar heeft de steen tot 1837 onder een zijaltaar gezeten maar is toen vanwege geldnood in de parochie verkocht aan het Rijksmuseum.

Het was in 2008 dat lokale aannemersbedrijf Spann-Eerden ervoor zorgde dat Millingen zijn Romeinse altaarsteen terugkreeg, zij het in de vorm van een replica. De firma deed de 350 kilogram zware steen bij haar gouden jubileum cadeau aan de toenmalige gemeente Millingen. En het was ook Spann-Eerden die in 2019 de steen op een sokkel aan de Heerbaan zette, voor Kulturhus Den Ienloop waar hij nog steeds te bewonderen is.

De inscriptie op de altaarsteen luidt:

DEAE DOMINAE RVFIAE
mATERNAE ARAM ET
lVCVM CONSACRAVIT
MVCRONIA MARCIA
VBI OMNIBVS ANNIS SACRVM
INSTITVIT XVI Kalendas AVGustas
ET NATALI MATERNAE Filiae SVAE
… Nonas OCTOBres ET PARENTALI
X Kalendas MARTIAS RVFIS SIMILi
PATRI ET SIMILI Filio ET
MATERNAE Filiae

In vertaling:

Aan de godin vrouwe Rufia Materna heeft Mucronia Marcia een altaar en een heilig woud gewijd. Daar heeft zij alle jaren een offer ingesteld op 17 juli, op de  verjaardag van Materna, haar dochter, …. oktober en tijdens de Parentalia op 20 februari voor Rufius Similis, de vader, Rufius Similis, de zoon, en Rufia Materna, de dochter.

Rufia Materna was de dochter van Mucronia Marcia en Rufius Similis, en de zus van Rufius Similis jr. De titel ‘godin vrouwe’ was steeds gekoppeld aan Rufia Materna maar dat is niet terecht, betoogde hoogleraar Emily Hemelrijk vorig jaar tijdens een meiweek die was gewijd aan Romeinse vrouwen. Mucronia Marcia en haar dochter Rufia Materna werden daarbij nadrukkelijk door haar ook aangehaald. Professor Hemelrijk heeft als classica aan de hand van inscripties onderzoek gedaan naar rijkere Romeinse vrouwen in het publieke domein.

Vrouwen in de Romeinse tijd oefenden volgens Hemelrijk alle denkbare beroepen uit, van schoenmaker tot bakker en van musicus tot juwelier. “Alles behalve de echt zware beroepen zoals in de bouw of in het leger. Vrouwen reisden mee met het leger maar in literaire bronnen worden ze niet genoemd. Want ze vochten niet. De Romeinen hadden een veel gevarieerdere maatschappij dan vaak wordt gedacht.”

Door te erven konden vrouwen in de betere krijgen over veel geld beschikken; sommigen zochten daar als weldoensters een goede bestemming voor. Inscripties onthullen volgens de hoogleraar vaak wat vrouwen zoal voor elkaar kregen. Daarbij haalt zij de tekst op de Millingse steen aan. In de special voor de  Romeinenweek hield de Amsterdamse classica in mei 2019 een betoog over Rufia Materna en haar moeder. Zij vertaalt de tekst op de altaarsteen anders dan tot dan toe gangbaar was:

Aan (Bona) Dea Domina. (Ter herinnering) aan Rufia Materna heeft Mucronia Marcia een altaar en een heilig woud (lucus) gewijd, waar zij een jaarlijks offer heeft ingesteld op 17 juli en op de verjaardag van haar dochter Materna op 7 oktober en tijdens de Parentalia op 21 februari voor vader en zoon Rufius Similis en voor haar dochter Materna.

Hemelrijk legt uitgebreid uit waarom Rufia geen godin of priesteres is.

“De inscriptie op de steen was opgesteld door Mucronia Marcia, die getrouwd was met Rufius Similis, mogelijk een veteraan uit het Romeinse leger. Het stel had twee kinderen: een zoon die net als zijn vader Rufius Similis heette en een dochter Rufia Materna. We mogen aannemen dat Mucronia Marcia van inheemse oorsprong was. Haar naam doet Romeins aan, maar was dat niet: het lijkt alsof een familienaam en een bijnaam door elkaar zijn gehaald.

Mucronia Marcia moet Romeins burgerrecht hebben gehad en plaatste zich met deze inscriptie in het Latijn in een Romeinse traditie. Maar ze week af van het standaardpatroon en dat maakt interpretatie van de tekst lastig. Over één ding zijn kenners het eens: op het moment dat Mucronia Marcia de tekst opstelde, waren haar man, zoon en dochter gestorven en waarschijnlijk was Rufia Materna als laatste overleden.

Volgens de inscriptie moest jaarlijks voor alle drie een offer worden gebracht. Dat gebeurde op 21 februari, de laatste dag van de Parentalia, het Romeinse feest ter herdenking van overleden familieleden. Ter nagedachtenis van Rufia Materna werd ook steeds op haar verjaardag geofferd. In de Romeinse wereld was zoiets tamelijk gebruikelijk: voor de eeuwigdurende nagedachtenis van de dode(n) stelde een vermogend familielid een kapitaalfonds in. Uit de rente werden op de verjaardag van de gestorvene en tijdens de Parentalia jaarlijks offers bekostigd, vaak met een maaltijd voor de nabestaanden.

We moeten aannemen dat Mucronia Marcia zo’n fonds heeft ingesteld, zodat de offers ook na haar dood door konden gaan. Minder gewoon zijn twee woorden van de inscriptie: Dea Domina. Die werden tot nog toe vertaald als een deel van de aanspreektitel van Rufia Materna: ‘godin en meesteres’. De eerste zin luidde dan: ‘Aan de godin en meesteres (Dea Domina) Rufia Materna heeft Mucronia Marcia een altaar en een heilig woud gewijd’.

Hieruit is geconcludeerd dat Rufia Materna een Germaanse priesteres was, omdat schrijver Tacitus had beweerd dat bijgelovige Germanen priesteressen als godinnen zagen. Die interpretatie is onhoudbaar. In de eerste plaats bedienden Germaanse priesteressen zich niet van Latijnse inscripties. Ten tweede is het veel aannemelijker is dat Mucronia Marcia ter herinnering aan haar gestorven dochter een altaar en heilig woud aan een godheid wijdde. Dat zien we bij meer tempels die door vrouwen werden gesticht.

De meest waarschijnlijke kandidaat voor de geëerde godheid is Bona Dea (letterlijk: Goede Godin). Deze populaire Romeinse godin kon worden aangesproken als Dea Domina, dus dat zou de inscriptie verklaren. Bovendien werden ook elders een altaar en een heilig woud aan haar gewijd. Deze interpretatie maakt de moeder de interessantste figuur uit deze inscriptie. Zij had de middelen en de wens om een altaar en woud te wijden aan Bona Dea en een fonds op te richten voor de eeuwigdurende herinnering aan haar gestorven dochter, en aan haar man en zoon. Door haar dochter centraal te stellen, verbond ze haar symbolisch aan de godin, in een soort postume apotheose.

We mogen aannemen dat de ambiguïteit van de inscriptie, een wijding aan een godheid én een grafinscriptie, opzettelijk was. Er is dus geen enkele reden om Rufia Materna als Germaanse priesteres te zien. Wel zien we een treurende moeder, die al haar familieleden overleefde en haar middelen inzette om hen te vereeuwigen.”

Tekst: Henk Verhagen.

Foto: Fred Tittse.

Op haar rondje langs de parochiebesturen en kerkelijke gemeenten zal de gemeente Berg en Dal voor het opstellen van haar Kerkenvisie ook bij de ‘overbuurvrouw’, bij de Protestante Gemeente in Groesbeek op de koffie gaan. De boodschap daar is dat alles er goed gaat, dat de kerkgangers en hun bestuur middenin de moderne tijd staan en dat ze extravert de verbinding met anderen in Groesbeek aangaan.

De kleine kerkgemeenschap telt zo’n driehonderd leden en is op velerlei fronten actief. Ze is de trotse eigenaar van de ‘Historische Kerk’ aan de Kerkstraat die dateert van 1050 en daarmee beslag legt op de titel ‘oudste gebouw van Groesbeek’. De kerk aan het heldere beekje de Groes-beek is van de kerkelijke gemeente, de toren is – in de tijd van de Bataafse Republiek – in 1798 tot eigendom van de burgergemeente verklaard. De kleine imposante begraafplaats ligt ingeklemd tussen de kerkmuren en de lange hoge beukenhaag aan de Kerkstraat. ‘Nederlandse Oorlogsgraven’ meldt een wit schild aan de spijlenpoort.

In de loop der eeuwen is de kerk van eigenaar veranderd- van katholiek naar protestant- en zijn door onheil en onweer allerlei restauraties en aanpassingen aan het gebouw noodzakelijk gebleken. De laatste uitbreiding is een opvallende en van vrij recente datum.

Vroeger, zegt ouderling Pieter Peereboom, was het protestants centrum gevestigd bij Schoonoord. “Maar we wilden alles concentreren bij de kerk, dus hebben we het gebouw daar verkocht.” Om de overstap mogelijk te maken bedacht de kerkelijke gemeente een plan: er diende een aanbouw aan de kerk te komen want de kerk zelf was te klein. Uit de buurt kwam volgens de ouderling protest: hoe ze het bedacht kregen om tegen zo’n prachtig kerkje een blokkendoos te zetten. Toch is het bouwplan doorgegaan. Op 11 april 2015 werd de aanwinst die luistert naar de naam ‘de Serre’ officieel geopend.

“Het is superfunctioneel”, beschrijft scriba Mirjam Veenstra haar beleving van de Serre. “Het is een aanbouw, die kan er ook weer van af. Het is een functionele toevoeging.” De Protestantse Gemeente is eigenaar van deze serre maar heeft verhuur en gebruik voor niet-kerkelijke activiteiten overgedragen aan de Stichting Historische kerk aan de Groesbeek.

Dubbelgebruik van ruimten is de kracht waarmee de gelovigen met overtuiging de toekomst ingaan. Gemiddeld zijn er maandelijks, schatten Peereboom en Veenstra, twee tot vier activiteiten aan de Kerkstraat. Ze lopen uiteen van privéconcerten tot kooruitvoeringen tot exposities tot recepties. ‘De kerk kan en mag hier meer zijn dan alleen de plaats om op zondag bij elkaar te komen’, zoals het op de site verwoord wordt.

Scriba en ouderling zijn erg te spreken over de vele mogelijkheden die de combinatie kerk-serre extra te bieden heeft. “De kerk heeft een goede akoestiek. Het is geweldig”, aldus Veenstra. Met Peereboom is ze van mening dat ze deze bijzondere mogelijkheden nog beter bij de Groesbeekse gemeenschap moeten aanbevelen. “We dienen het kerkgebouw meer bekendheid te geven. Want dat willen we ten goede laten komen aan de hele gemeente.”

De eigen kerkactiviteiten zijn, dat zal geen verrassing zijn, vooral gelinkt met zingeving. Daarnaast probeert de kerkelijke gemeente in contact te komen met de burgerlijke gemeente. “Via films, eten, een lunch, ontmoetingen. Incidenteel zijn er ook grote dingen, zoals Preek van de Week, Zin in Pop. Dan is het altijd volle bak.” Voor Amnesty International is er eenmaal per maand een schrijfactie, Taalmaatje komt in de Serre bijeen. “Er zijn dan tussen 15 en 40 mensen hier.”

Dan is er nog de zogenoemde Zomeropenstelling, wanneer op gezette tijden publiek genood wordt de kerk te komen bezoeken. Monumentendag, een kunstexpositie. “Die gebruiken we om de drempel te verlagen, de deuren open te zetten en mensen te verwelkomen.”

Vergrijzing is een maatschappelijk vraagstuk waar ook deze kerkgemeenschap mee te maken heeft. Dezelfde taken komen nu al op steeds minder schouders terecht, terwijl nieuwe activiteiten zich aandienen. Scriba Veenstra: “Of ze in de kerk bij ons kunnen trouwen. Ja, dat kan.” Twee tot drie stellen per jaar worden er in de echt verbonden, er zijn zes tot acht uitvaarten. In de modernisering van beleid paste eenzelfde aanpak van het kerkmeubilair. “We kunnen 120 stoelen kwijt. Tien jaar geleden hebben het oude meubilair vervangen; het is open en gemakkelijk te verschuiven. Dat is een goede beslissing geweest toen.” De oude preekstoel is als éminence grise mogen blijven.

Ook krijgt de kerk steeds meer aanvragen voor de begraafplaats, waar onder meer oorlogsgraven en een urnenwand te vinden zijn. “Met zulke vragen willen we meer meedenken”, zegt ouderling Peereboom. “Maar het vergt allemaal wel menskracht. Dat wordt een toenemend probleem. Wij willen de dorpskerk blijven. Proberen bijvoorbeeld mee te denken met de Voedselbank, en met Schuldhulpverlening.”

De Serre is, benadrukken beide gastgevers nogmaals, bewust gebouwd om de gemeenschap in de volle breedte ten dienste te kunnen zijn. “Samen met de katholieke kerk doen we ook gemeenschappelijke diensten. We proberen de verbinding te zoeken. We staan niet als een kluizenaar in de kerk, dat willen we ook uitstralen.”

Op korte termijn is er voor deze geloofsgemeenschap nog geen wolkje aan de lucht. De taken worden zo goed mogelijk verdeeld, dankzij de Serre zijn er mogelijkheden de inkomsten te krijgen. Veenstra en Peereboom: “We kunnen het ook allemaal nog bemensen, dus op dit moment maken we ons nog geen zorgen. Maar voor de middellange termijn moeten we alert zijn. Misschien moeten we over tien, vijftien jaar de bakens wel gaan verzetten.”

Meer informatie: www.pkn-groesbeek.nl

Tekst en foto’s: Henk Verhagen

 

De religieuze functie in combinatie met culturele activiteiten is een uitstekende manier om leegkomende kerken een nieuwe toekomst te geven. Dat vindt Rijksbouwmeester Floris Alkemade uit Sint-Oedenrode, die een lans breekt om ontwerpbureaus te betrekken bij de zoektocht naar herontwikkeling van kerken.

Floris Alkemade uit Sint-Oedenrode, in 2018 uitgeroepen tot Architect van het Jaar, is sinds 2015 Rijksbouwmeester en als zodanig voorzitter van het College van Rijksadviseurs. De Rijksbouwmeester adviseert aan minister van Binnenlandse Zaken en Directeur-Generaal van het Rijksvastgoedbedrijf. Hij bewaakt en bevordert de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit van rijksprojecten. Ook afstoot en herontwikkeling van rijksvastgoed zijn belangrijke aandachtsgebieden van de Rijksbouwmeester.

Alkemade wijst steevast op het grote belang van herontwikkeling. “We hebben te snel de neiging om gebouwen die hun huidige functie verliezen af te schrijven als onbruikbaar, zeker als we ze toevallig niet mooi vinden. Maar als je niet te bang bent om met andere aannames te werken, en indien nodig radicale ingrepen te doen, kun je verrassend veel gebouwen uitstekend herprogrammeren en er ook nieuwe kwaliteiten aan toevoegen”, zegt hij in een interview.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een themanieuwsbrief uitgebracht met daarin een verzameling artikelen van degenen in maart zouden spreken op de vanwege het coronavirus geannuleerde bijeenkomst ‘Onderzoek & ontwerp aan een landschap van kerkgebouwen’. Als één van de organisatoren heeft Rijksbouwmeester Alkemade zijn perspectief op het thema uiteengezet in een blog. De tekst luidt als volgt.

“In de week dat ik deze blog schrijf, is het de tijd van de Matthäus Passion, een sterke en levende herinnering aan de rijkheid en schoonheid die een religieuze cultuur in zich kan dragen. Dit jaar krijgt de passie een ander gezicht en zullen de uitvoeringen – die normaal honderdduizenden kerkbezoekers trekken – geen fysiek gedeelde ervaring kunnen zijn. Het coronavirus maakt directe sociale contacten onmogelijk en ook kerkgangers zijn verhinderd bij elkaar te komen sinds het kabinet genoodzaakt was het openbare leven in Nederland stil te leggen. Via livestreams, radio-opnames en uitzendingen op YouTube weten zowel muzikanten als predikanten hun publiek toch te bereiken, maar dat de kerken ook in deze tijd leeg zullen staan, voelt als een gemis.

De terugloop van kerkelijke bezoekers is niet van vandaag of gisteren. Het is een teken van de tijd. Al decennialang is er een afname gaande en deze zal volgens de voorspellingen de komende jaren alleen nog maar verder toenemen. De vergaande individualisering van onze samenleving, in al zijn aspecten, leidt tot leegstand en daarmee verliezen onze kerken met hun prachtige verschijningsvorm en hun belangrijke symbolische betekenis steeds meer hun noodzaak – maar niet hun betekenis.  In 1980 schreef Frans Kellendonk ‘als ongelovige een leemte te hebben ontdekt in het hart van de schepping, waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen’. Eenzelfde soort leemte ervaren niet-kerkgangers ook bij het idee dat onze kerkgebouwen uit onze gemeenschappen, en uit onze gemeenschappelijke belevingswereld zouden verdwijnen. Een verarming van ons cultureel erfgoed raakt ons.

Ik ben opgegroeid in de provincie Noord-Brabant, het Katholieke zuiden. Voor mij is een kerk onlosmakelijk verbonden met de identiteit van de dorpen, steden en het dagelijks leven – de kerk in het midden. De architectuur van het kerkgebouw vertegenwoordigt daarmee ook een wereldse cultuur. Ik groeide op tussen een meer dan zes eeuwen oude kerk en een nieuwe kerk gebouwd in 1964 in de stijl van de Bossche school van Dom van der Laan. Voor mij waren de kerken, kloosters en kerkelijke monumenten onontkoombaar en van alle tijden. Later, tijdens mijn studie Bouwkunde, ontdekte ik de rijke oogst aan prachtontwerpen van ook andere hedendaagse architecten, zoals Duintjer en Grandpre Molière. En uiteraard de Pastoor Van Arskerk van Aldo van Eyck in Den Haag. Een geweldig oeuvre aan gebouwen.

Gevaren dreigen voor overbodig geworden gebouwen. Kan het publieke karakter gehandhaafd blijven? Is een status van gemeentelijk- of rijksmonument een bedreiging of juist een kans voor transformatie? De prachtig geslaagde restauratie van de St. Bavo Basiliek te Haarlem, vorig jaar winnaar van de Europese Nostra Award, laat zien dat eerherstel van de kerkelijke functie in combinatie met culturele activiteiten met de inzet van de juiste middelen wel degelijk een optie is.
Aan ons de taak de noodzakelijke transformatie van ons kerkbezit gewetensvol te begeleiden.

Ik voel mij betrokken bij een zorgvuldige omgang met onze kerkgebouwen. Nu een religieuze cultuur uit ons leven verdwijnt en de gebouwen hun oorspronkelijke noodzaak verliezen, neemt de wereldse, financiële logica het over. De wereld op zijn kop. Onze hele bouwcultuur is gebaseerd op het bestaan van een vraag waarop een gebouw het antwoord is. Nu hebben we een hele serie beschikbare gebouwen en moeten we er een nieuwe vraag voor verzinnen. Een omgekeerde wereld maar het ontwerpen van een vraag is evenzeer een creatief proces.

Ik neem daarom graag deel aan het uitstekende initiatief van de RCE door ontwerpkracht in te zetten met ontwerpend onderzoek en inspirerende bijdragen. Ik ben overtuigd dat deze inbreng de kerkenvisie kan verrijken.”

 Tekst: Floris Alkemade

Foto: Arenda Oomen