Wederopbouwarchitectuur in de gemeente Berg en Dal, deel 11: De voorgaande pagina’s over dit onderwerp draaiden om het dorp Ooij. In het Ubbergse bouwarchief bevinden zich diverse aanvragen tot herbouw van boerderijen die rond Ooij in de oorlog verwoest waren. Zoals eerder vermeld, verliep de procedure tot wederopbouw van boerenbedrijven via het Streekbureau voor de Wederopbouw en het BWB. Veelal werden wel lokale architecten ingeschakeld. Vrij snel na de bevrijding kon men als eigenaar van een verwoest pand een urgentieverklaring aanvragen om in ieder geval een noodwoning te bouwen. Wegens gebrek aan materialen en mankracht deed men dit vaak zelf. Wanneer een pand niet verwoest en bovendien groot genoeg was (officieel meer dan 500 kubieke meter, maar in de praktijk werden ook veel kleinere panden aangewezen) kon het gevorderd worden in verband met de woningnood. De eigenaar kreeg door de gemeente een bedrag aan "huur" uitbetaald dat jaarlijks verhoogd kon worden. Sommige vorderingen duurden tot in de late jaren 50 en leidden tot problemen en gerechtelijke procedures. Daarnaast werden bijna alle grotere panden gevorderd voor inkwartiering, vanaf 1940 eerst voor Nederlandse grensbewakingstroepen en marechaussees, vervolgens tijdens de oorlog voor Duitse overheidsdienaren en militairen en tenslotte (vanaf september 1944 tot en met het overdragen van het Geallieerd Gezag aan de Nederlandse overheden) voor Engelse / Amerikaanse / Canadese militairen. Van inkwartiering kreeg de eigenaar een schriftelijk bewijs, dat goed bewaard moest worden om voor schadevergoeding in aanmerking te komen. De inkwartieringen leidden vrijwel altijd tot claims, variërend van opgegeten proviand tot diefstal/vernieling van goederen en zelfs (in het geval van Villa Belmonte en de Ravenberg Taveerne in Beek) totaal verlies van een pand door brand (onoplettendheid door geallieerde troepen?). Er bestond (ook onder het Duitse gezag al) een uitgebreid stelsel van vergoedingsregelingen voor geleden schade. Dit betrof niet alleen schade door oorlogshandelingen, maar ook schade veroorzaakt door vordering en/of inkwartiering van woonhuizen / boerderijen / bedrijven door zowel het Duitse als het geallieerde gezag. Onder deze regeling viel tevens het mislopen van inkomsten en het verloren gaan van levende have, oogst en grondstoffen. Bovendien kon men schadevergoeding vragen voor gestolen en vernielde roerende goederen. Zo vorderde een boer in de Ooijpolder schadevergoeding voor zijn hooi, dat nat geworden was na een granaatinslag. Een ander vroeg een vergoeding voor  hooi dat hij had gegeven aan koeien van geëvacueerde dorpsgenoten. Een groot deel van de schades in het kader van deze regeling werd beoordeeld door de Schade-Enquete Commissie in Nijmegen. Daarnaast bestond er een speciale regeling voor bedrijven (boerenbedrijven, wasserijen, steen-fabrieken) die personeel hadden moeten missen door verplichte tewerkstelling, zowel voor Duitsland als voor de geallieerden. De Coöperatieve Vereeniging Centraal Beheer G.A. te Apeldoorn wikkelde schadevergoedingen af in het kader van deze "Regeling Declaratie arbeidsloonen voor Burgerarbeid". De schade betrof niet alleen loon maar ook premies. Het huidige verzekeringsbedrijf Centraal Beheer is hieruit voortgekomen. In bepaalde gevallen, in de steden kwam dit vaker voor dan in het buitengebied, kreeg een eigenaar geen toestemming om zijn verwoeste huis opnieuw te bouwen op zijn eigen perceel. Dergelijke situaties kwamen voor wanneer de overheid andere plannen had met het perceel. De periode na de oorlog werd aangegrepen om het verkeer te gaan stroomlijnen, hetgeen resulteerde in de versnelde uitvoering van vaak reeds langer bestaande plannen voor het aan- of omleggen van wegen. Wanneer een pand niet kon worden herbouwd dan verkreeg de eigenaar een herbouwplicht (in de volksmond "bouwclaim"), waarmee men op een door de gemeente aangewezen perceel een nieuwe woning mocht laten bouwen. In het geval men hiervan geen gebruik wilde maken (men moest noodgedwongen veelal naar een andere wijk verhuizen) dan was het mogelijk de bouwclaim te verkopen aan iemand anders. Er gaan verhalen rond over aannemersbedrijven die mensen benaderden om hun bouwclaim (goedkoop) te verkopen om zo aan opdrachten te komen. Tenslotte kon het na de oorlog voorkomen dat grond-eigenaren, veelal boeren, geconfronteerd werden met onteigening ten behoeve van de bouw van noodwoningen en arbeiderswoningen. Dit was het geval in Erlecom, Ooij, Leuth en Kekerdom. Onteigening stond ook toen al open voor schadevergoeding, maar regelmatig kwam het voor dat er teveel grond onteigend werd dan nodig. Via een bezwaarschriftenprocedure kon men proberen om achteraf alsnog iets terug te vorderen. Kortom, ook in de periode na de oorlog moest men reeds van goeden huize komen om zich een weg te banen door de bureaucratie….   Een noodwoning in Groesbeek, 1945 RAN   Noodwoning van de familie Thijs Janssen in Leuth. Mevrouw Mary Gijsbers-Janssen: "Mijn moeder en oudste zus Betsy met een kip in de armen! De foto is  genomen een dag vóór mijn verjaardag; allerwaarschijnlijkst nl. op 7 augustus 1946".