De geschiedenis van het Ubbergse landschap Het Ubbergse landschap, met zijn laagland en zijn heuvelrug, is gevormd door water en wind. De heuvels maakten deel uit van een stuwwal die ongeveer 150.000 jaar geleden, tijdens de voorlaatste ijstijd, ontstond. Een uitloper van het oprukkende poolijs stuwde de ondergrond op met zijn gewicht en duwde lagen grind, zand en leem voor zich uit. Toen het ijs zich 13.000 jaar geleden terugtrok, sleep het smeltwater groeven in de wal die we tegenwoordig droogdalen of beekdalen noemen. De wind schuurde de nog kale heuvels glad zodat er een plateau ontstond. De grote hoeveelheid smeltwater vormden rivieren in het laagland die een sterke stroming hadden omdat de zeespiegel vanwege de duizenden jaren ijsvorming veel lager lag dan tegenwoordig het geval is. Ongeveer 100.000 jaar geleden begon een nieuwe periode van extreme kou. Tijdens deze –vooralsnog - laatste ijstijd bereikte het ijs het huidige Nederland niet, maar het was zo koud dat grote delen van het aardoppervlak onbegroeid bleven. Hierdoor kreeg de wind opnieuw vrij spel. De wind vlakte de heuvels verder af en vulde de dalen gedeeltelijk met dekzand en het fijnere löss. De wederom tot een woeste stroom aangezwollen Rijn beukte aan de oostzijde net zo lang tegen de stuwwal aan tot deze brak ter hoogte van de huidige Over-Betuwe. In de loop van de duizenden jaren vormde hij enkele kilometers brede doorgang door steeds meer van de stuwwalresten af te knagen. Van de stuwwal bleef een noordelijk deel over: de Veluwe, en een zuidelijk deel: een veel kleinere heuvelrug tussen Nijmegen en Kleef. Ongeveer 15.000 jaar geleden werd het opnieuw warmer. Door de stijgende zeespiegel ging de Rijn, die niet, zoals nu het geval is, door één diepe bedding stroomde, maar vele vertakkingen in even zoveel ondiepe beddingen had, rustiger stromen. In plaats van grind werd er nu klei afgezet op de droogvallende stukken land. Hierover blies de wind zand van de stuwwal toen de kou weer tijdelijk terug kwam. Dit zand stoof op tot rivierduinen waarvan die van Persingen de bekendste is. Toen het warme weer 10.000 jaar geleden definitief doorzette en geleidelijk aan het klimaat ontstond dat wij nu nog kennen, begon het patroon van jaarlijkse overstromingen van de Rijn in de winter. Door het proces van het afzetten van klei en het voortdurend verleggen van de rivierbedding ontstonden de komgronden.