‘n Historische wandeling door Ubbergen Laag In Gelderland op z’n mooist, Ubbergen Laag, No. 5 van 27 juli 1938, schreef J.M. Tesser, Secretaris van de VVV, het volgende: 'n Historische wandeling door Ubbergen-Laag (20 K.M. ook per auto te berijden; dan nà bezoek Kasteel de Ooy naar Oortjeshekken langs de Groenlanden, Ooysche bandijk, bij de Sluis langs Kadijk naar Persingsche kerk terug naar Beek).  Waarde lezers en lezeressen, Het reisseizoen spoedt zich ten einde, de vacantiegangers zoeken hun haardsteden weder op en daarmede zal ook de uitgifte van dit blaadje gestaakt worden. Vanouds behoort 't tot de Vaderlandsche gebruiken dat men zijn scheidende bezoekers een klein geschenk als aandenken meegeeft en dit oude gebruik in eere houdend doen wij aldus .en bieden U als geschenk van blijvende waarde het bestek voor eenige wandelingen in onze omgeving aan. Het eigenaardige van dit geschenk zal zijn, dat het steeds nieuw blijft en steeds opnieuw vreugde zal verschaffen en dat U straks den weg wijzend aan Uw kinderen of kleinkinderen zult kunnen vertellen van dien ouden tijd en de jeugdige oogen zult zien schitteren bij het vernemen van deze spannende verhalen in een historische omgeving. 'n Wandeling door den Polder Welaan dan wandelaars, hier bij het Gemeentehuis te Beek slaan wij den weg in naar den polder, de fontein hier in dit aardige plantsoen en evenzoo die aan de overzijde der straat bij de waterspuwende dolfijn, wordt gevoed door natuurlijk bronwater, hetwelk van de bergen komende door eigen kracht hier omhoog springt. Beek was eenmaal beroemd om zijn bronnen en fonteinen, maar daarover later. Nu passeer en wij de Waterstraat en als gij nu even oplet, ziet gij in dat linksche huis op eenige meters boven den grond 'n hardsteenen plaatje, waarop vermeld staat, dat in 1926 het water tot aan dien steen stond. Eigenlijk was dit voor deze omgeving van de Waterstraat niet zoo heel veel bijzonders, want bij elken hoogen waterstand geleek het hier op Venetië en kon men door die straat varen, eerst in de laatste tientallen jaren is hierin verbetering gekomen. Onzen weg vervolgend, staan wij dan plotseling voor iets, hetwelk op het eerste gezicht aan een vesting doet denken, er is een gracht omheen en middenin ziet Gij wat terpen en verhevenheden, doch het is geen vesting wat gij hier ziet, maar het Kasteel Beek in wording, hetwelk nimmer voltooid werd. Onder het voortwandelen zal ik U van dat kasteel in wording nog iets vertellen, luister slechts. In het jaar 1660, zoo lezen wij in de oude kronieken, was Frederick Hendrick Baron van Randwijck Heer van Rossum en Beek, eigenaar van de Heerlijkheid Beek geworden en liet hij hier ter plaatse een buiten aanleggen. (Het oorspronkelijke kasteel te Beek is in 1507 vermoedelijk reeds door de Kleefsche troepen verwoest).  Dit buiten nu, was gelegen op de plaats waar thans Bad-Beek ligt en hier werd door een der erfgenamen van de familie van Randwijck n.m. Baron Jacob van Randwijck op 7 Augustus 1787 Stadhouder Willem V en zijn dappere gemalin ontvangen. De Heeren van Randwijck en de bevolking van Beek gaven bij die gelegenheid een doorslaand bewijs van hun Oranje- gezindheid, want in die dagen waren de "Keesen" nog maar sedert kort bedwongen in hun revolutionaire activiteit. Blijkbaar vond de toenmalige Heer van Beek het gewenscht, om Beek in zijn oude glorie te herstellen en gaf hij de opdracht om ter plaatse van het "Heufke" een nieuw Kasteel met slotgracht en torens te bouwen. Nadat de omvangrijke ontgravingen der grachten en de kelders en de fundeeringen gereed gekomen waren, werd de bouw om onverklaarbare redenen gestaakt en bleef alles liggen zooals het was. Wat precies de redenen geweest zijn voor dit afzien van den reeds aangevangen bouw is niet bekend, echter de geschiedenis wil, dat de bouwerij door geheimzinnige machten werd tegengewerkt en rampen dit werk zouden begeleid hebben. Het spookte ter plaatse en nog jaren daarna wisten de ouden van dagen te vertellen, dat des nachts de witte wyfen over de grachten en kelders ronddoolden en den wandelaar den schrik op het lijf joegen, doordat zij de voorbijgangers plotseling bij de voeten vasthielden en deden neertuimelen. De Kronijck ende Historij van het edele geslacht van de Huijsen van Egmond zegt terecht van deze spokerijen (vijfde druk, blad 52): "De kostelicke huijsen zijn nu als moordkuilen en speloncken, daer nu wonen de witte wyfen en nacht- geesten". Weer andere overleveringen vertellen hoe hier vroeger een klooster gestaan zou hebben en de grond daardoor een zekere wijding en bestemming gekregen had, welke niet verstoord mocht worden. Wat er van zij, zeker is het, dat de geesten thans wel heel erg op hun gemak zijn, nu zij door de voortschrijdende bebouwing zelfs overburen gekregen hebben, alleen als 's nachts de uilen krassen boven in de oude boomen, dan heeft het "Heufke" ook voor den huidigen wandelaar, nog iets van zijn geheimzinnige bekoring. Zoo voortkoutende zijn wij de plaats genaderd waar het riviertje het "Meer" den weg kruist. Heel vroeger toen er hier geen brug bestond, werden voetgangers per roeiboot overgezet, terwijl het vee door het riviertje waadde of bij hoogeren waterstand achter de boot aanzwom. In den zomer lijkt zoo 'n plaspartij in zoo'n onbedorven riviertje heelemaal niet onaardig en wordt ge haast verleid om de oude methode te gaan volgen, maar als in den winter dit riviertje bij hoogen water- stand de geheele omgeving blank zette, dan was de aardigheid er schoon af. De tegenwoordige roodsteenen brug is waard dat gij ze eens extra nauwkeurig bekijkt, want het is in haar soort een unicum in Nederland en daarbuiten. Deze brug is n.l. gebouwd in gewapenden baksteen, zelfs de overspanning is zoo danig uitgevoerd. Of het goed en duurzaam werk is, laten wij gaarne aan onze deskundige lezers ter beoordeeling over, in deze omgeving waar de beste Waalsteenen gebakken worden, zou bovendien een andere constructie niet op haar plaats geweest zijn. Bij den driesprong aan het einde van den weg gekomen, slaan wij rechtsaf en gaan in de richting van den Ooyschen Bandijk, maar let nu eens op het landschap hetwelk zich ter rechterzijde vertoont. Voor U het grasland en daarachter de bergen in hun onbeschrijfelijke schakeering van groen en daartusschen als hangend in het lommer de witte en roode huisjes. Waar in Nederland kunt gij, meest verwende wandelaar, een dergelijk stuk natuur aanwijzen? Dan moet gij dat zien, als 's morgens de eerste zonnestralen die bergen met gouden gloed overgieten of 's-avonds als overal de lichtjes twinkelen en de laatste zonne- stralen den hemel in rooden gloed zetten. Is dit gezicht op Neerlands heuvelland niet volop een wandeling naar deze streken waard? Ongemerkt voert ons nu den weg omhoog en bereiken wij den kruin van den Ooyschen Bandijk, waar de zwaaiende wieken van den Thorenschen molen ons als het ware den weg versperren. Voorzichtig den buitenkant van den weg houdende komen wij bij dien eeuwenouden molen en nemen er een kijkje in. Hier ziet U nog een kokermolen, dat is een der oudste typen die ons land nog rijk is, alles is nog echt primitief, alsof een blad van een heel oud boek voor ons wordt opengeslagen. Vermoedelijk dagteekent deze molen reeds uit het begin der veertiende eeuw, hij behoorde vroeger aan het Kapittel van Cranenburg, aan welk Kapittel in later jaren nog de tiendrente betaald moest worden [Kapitteldijk]. Er is geen oude kaart van deze omgeving of de molen komt erop voor. Waait er een frissche wind in het veld, dan is hij in zijn element, dan schijnt hij bezield van nooit te blusschen levenslust, te stoeien met den wind en onwillekeurig komt ons dan dat gedicht van Bredero in den geest waar hij aan "Slimme Piet" de volgende woorden in den mond legt: Wat hettet van daech ien ruych weer eweest; t' isse niet te seggen. Doch nou op den avont, so gaet de wijnt  al moytjes leggen. Maer op den dach de lucht betrock, het swerck dat vlooch. 't Scheen de wijnt al sen kracht op onse meulen spooch. So kraekte de trappen en so verbrangst gilden de sporten. lck docht altemet daermee sol 't hiele sootje van bovenneer storten, So drilden de vleugels, so rammelden de plancken, daer stont niets stil, Een vliegende storm blies. dat ons duyfhock van boven neel vil. Jammer dat in onzen tijd die schilderachtige molens stuk voor stuk verdwijnen en daardoor het landschap een deel van zijn poëzie moet missen. Grimmig waren de oude wetten die over de molens waakten, want schennis van een molen werd niet kerkschennis, valsche munterij en veediefstal gelijkgesteld en de straffen voor die misdrijven waren lang niet malsch. Van belang is nog mede te deelen dat de plaats waar deze molen staat, vroeger tot het Duitsche grondgebied heeft behoord, eerst bij het Weensch Congres in het jaar 1816, is dit gebied, evenals de dorpen Leuth en Kekerdom, bij het Nederlandsch gebied gevoegd. Met deze wetenschap zal het U ook wel niet vreemd meer voorkomen, indien gij verneemt dat al de oude familiën in deze omgeving van Duitsche herkomst zijn ofwel verwanten in Duitschland hebben. We moeten nu afscheid nemen van den vriendelijken molenaar en van de mooi begroeide schilderachtige oude kolk om onzen weg te vervolgen en via de z.g. "Halve-Galg" den weg naar het dorp Erlecom in te slaan. Vanaf dezen weg zien wij het aloude handwerk der steenbakkerij beoefenen en even verder den grooten Waaldijk, dewelke hier Erlecomsche Dam heet, bestijgende, ligt daar de machtige rivier de Waal in volle pracht voor ons. Hier is het een lust, een oogenblik te verwijlen en het drukke verkeer van alle mogelijke slepen en booten, in de richting van en naar Duitschland, gade te slaan. Wilt ge even uitrusten of wenscht ge een koele dronk dan is in het Café van den Veerman Jansen daartoe gelegenheid, hij is een ferme gastheer die heel veel over de rivier en de visscherij kan vertellen. Nu staan ons twee wegen open, ofwel wij volgen den Banddijk om via Groenlanden, de oude Waal en de Meersluis naar huis te gaan, ofwel wij slaan de Kruisstraat in en bezoeken tegelijkertijd de ruïne van het Kasteel "De Ooy" en de zeer oude kerk aldaar. Het Kasteel "De Ooy" was eens een der fraaiste van Nederland, nu helaas is het voor een groot deel weggevaagd door den watervloed en de daarmede gepaard gaanden ijsgang en dijkdoorbraak die in 1809 deze streek voor de zooveelste maal teisterde. De oude kerk, thans in gebruik bij de Nederlandsch Hervormde Gemeente, dateert uit den zelfden tijd en is Uw bezoek alleszins waard. Vanaf het Kasteel "De Ooy" de Kruisstraat en de Kouwen Dijk volgend, zien wij al spoedig het torentje van de Persingsche Kerk en houden daarop aan. Ook hier verveelt de weg geen oogenblik, want aldoor wordt het oog geboeid door het schitterende uitzicht op de heuvelen van Ubbergen met hun fijne silhouetten van het klooster en de kerk der Fransche Zusters, en de groteske landhuizen en villa's. Aannemende dat dit schilderachtig kerkje Uwe aandacht vermag te boeien, mogen eenige bijzonderheden hieromtrent niet achterwege blijven. Persingen behoorde eertijds tot de Heerlijkheid van dien naam, buiten het kerkje bestond er een vlek of dorp en een hecht Kasteel, eveneens met grachten omgeven. Het Kasteel en het Kerkje worden reeds in de 12e eeuw genoemd, doch beide verging het, zooals het nu eenmaal al onze oude Kasteelen en Kerken vergaan is die hier in een roerig gebied lagen. Ook dit kasteel werd eenige malen verwoest, o.a. in 1507 door de Kleefsche troepen en in 1526 door het Nijmeegsch voetvolk. De groote watersnood van 1809 die ook het Kasteel Ooy verwoestte, deed hier zijn werk niet minder grondig en slechts de kelders en fundamenten bleven over. Het kerkje is er in den loop der tijden wel iets beter afgekomen en is blijkbaar slechts ten deele verwoest geworden. Een groot deel van het Kerkje dateert vanuit de veertiende eeuw, doch laten wij even binnen gaan, want de sleutel is bij den waard van het nabijgelegen café "De Bonte Os" te verkrijgen. Uitwendig ziet men dat de grond bij den ingang van de Kerk is opgehoogd en dat er bovendien op slordige wijze een stoepje van twee treden in het portaal is aangebracht, doch als wij binnenkomen ontsnapt een woord van wrevel aan onze lippen over zoo weinig piëteit en zoo 'n schaamtelooze vernieling van wat eens een huis Gods was en in liefde en eerbied was tot stand gebracht. De kerkvloer is met leemerig zand een meter opgehoogd, het fraaie kruisgewelf is zwart als roet en op ergerlijke wijze beschadigd, de oud gothische ramen zijn ten deele toe gemetseld en van vierkante vensters voorzien. Voor een deel is het gewelf totaal verdwenen en ziet men een door ouderdom versleten kapconstructie en een zwaar gehavend pannen dak, waardoor men een vlucht duiven kan oplaten, in het voorportaal is het al even erg, alleen de toren is nog vrij gaaf. Ik zou aan de waarheid te kort doen, indien ik hierbij niet mededeelde dat het Kerkje door de Gemeente Ubbergen uit sloopershanden gered werd, en dat deze Gemeente het heel graag zou restaureeren. De goede wil is zeker aanwezig maar het ontbreekt deze Gemeente aan geld en andere instanties, zooals Monumentenzorg, hebben ook geen geld voor dit doel beschikbaar en zoo schijnt dan het noodlot niet af te wenden, dat binnen ettelijke jaren dit fraaie Kerkje in het Landschap gemist zal moeten worden, dat dit stukje, als eenig overblijfsel van de in deze omgeving bestaan hebbende Christelijke cultuur, tot puin zal vervallen. Heeft Nederland dan geen Maecenas meer of geen moderne kruisridder die dit wil voorkomen en zijn naam onsterfelijk wil verbinden aan dit monument van oude beschaving? ! Kom wandelaar kijk eens mee uit, dan hebt gij op dezen dag ook nog een goede daad verricht. Wij gaan nu verder en passeeren de plaats waar eenige wallen en terpen aan- duiden, dat daar het Kasteel gestaan heeft en komen dan in weinig minuten wederom via de Verbindingsweg in den kom van Beek terug. Komt Gij wandelaar later nogmaals in Beek, dan krijgt Ge weer een wandeling present en ik beloof U, dat ze heel interessant zal zijn.   J. M. TESSER, Secr. V.V.V.